Marieke Dankbaar - 09-09-2021

Zelfredzaamheid en financiele draagkracht onder de Wmo2015 en de Jeugdwet

In het sociaal domein – denk aan de Wmo 2015 en aan de Jeugdwet – zijn zelfredzaamheid en het eigen probleemoplossend vermogen belangrijke toetsstenen. Of iemand voor een maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo, of voor hulp in het kader van de Jeugdwet in aanmerking komt, wordt aan de hand van een aantal in de wet en jurisprudentie vastgelegde stappen beoordeeld.

De financiële draagkracht van betrokkenen hoort over het algemeen niet tot het daarbij in acht te nemen toetsingskader.

Toch wordt, met name bij het beoordelen of iemand voor huishoudelijke hulp onder de Wmo in aanmerking komt, en bij de beoordeling of een PGB voor informele zorg in de jeugdzorg kan worden toegekend, in veel gemeenten waarde gehecht aan de financiële draagkracht van de betrokkenen. Dat is echter meestal niet terecht, zo leert de inmiddels ontstane jurisprudentie op dit gebied.

Huishoudelijke hulp onder de Wmo2015

Een belangrijke uitspraak van de Centrale Raad van Beroep is die van 20 februari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:772). In die zaak ging het om een betrokkene die in het verleden zelf op de particuliere markt huishoudelijke hulp had ingehuurd, maar die, mede vanwege verslechtering van de fysiek, een beroep op de Wmo had gedaan. De gemeente had geoordeeld dat een maatwerkvoorziening voor de extra uren wel aan de orde kon zijn, maar dat voor de uren die betrokkene in het verleden zelf had ingekocht, geen maatwerkvoorziening nodig was.

De Centrale Raad oordeelde als volgt:

Artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 bepaalt, voor zover van belang, dat het college beslist tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

….

Daarnaast kan de omstandigheid dat het college rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie dat betrokkene zelf particuliere hulp bekostigde, niet anders worden gezien dan dat het college binnen de eigen kracht als bedoeld in artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, rekening heeft gehouden met de financiële mogelijkheden van betrokkene om de gevraagde ondersteuning zelf te bekostigen. De Raad ziet hiervoor echter geen ruimte. De Raad leidt dit af uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wmo 2015. Zo staat in de memorie van toelichting dat onder ‘eigen kracht' wordt verstaan dat wat binnen het vermogen van de betrokkene ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen. De betrokkene zal zich in hoge mate moeten inspannen om dat aan te wenden wat binnen zijn eigen bereik ligt om zelf in zijn behoefte op het gebied van maatschappelijke ondersteuning te voorzien (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 144). Verder heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op de vraag of de financiële kracht onderdeel is van de eigen kracht meegedeeld dat de regering van mening is dat maatschappelijke ondersteuning voor eenieder toegankelijk moet zijn, ongeacht de hoogte van het inkomen en/of vermogen. Het is van belang dat ook financieel daadkrachtige cliënten een beroep op maatschappelijke ondersteuning kunnen doen, bijvoorbeeld als zij niet in staat zijn maatschappelijke ondersteuning te (doen) organiseren, maar deze wel kunnen betalen. De gemeente kan de financiële mogelijkheden van een cliënt op grond van dit wetsvoorstel wel betrekken door een eigen bijdrage te vragen binnen de grenzen die door de regering worden bepaald in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 34, p. 24). Ten slotte volgt uit de memorie van toelichting dat een gemeente de aanvraag van een cliënt die een voorziening zelf, zonder tussenkomst van de gemeente, zou kunnen bekostigen gelet op de hoogte van het inkomen en vermogen in relatie tot de eigen bijdrage, niet op die grond mag afwijzen.

Uit deze uitspraak kan aldus worden afgeleid dat indien sprake is van een beperking waarvoor ondersteuning geboden is, de Wmo2015 niet voorziet in de optie om die hulp zelf te regelen (NB: dat kan wel, maar dan zou de voorziening niet geweigerd moeten worden, maar zou bijvoorbeeld een PGB moeten worden verstrekt, of zelfs een financiële tegemoetkoming). Voorts moet de maatschappelijke ondersteuning worden geboden ongeacht de hoogte van inkomen en/of vermogen (behoudens de eigen bijdrage via het gelimiteerde abonnementstarief). In veel gemeenten is dit inmiddels een problematisch gegeven. Er wordt door veel meer mensen een beroep gedaan op huishoudelijke hulp via de Wmo2015, ook door inwoners die de huishoudelijke hulp altijd zelf hebben geregeld en betaald, en dat drukt zwaar op de gemeentelijke begrotingen. Er is veel verzet tegen de abonnementstariefconstructie en er ontstaan allerlei “work arounds” om het te omzeilen. De Minister heeft evenwel recent nog naar aanleiding van Kamervragen in niet mis te verstane bewoordingen uiteengezet, dat die work arounds niet aan de orde kunnen zijn (brief 17 augustus 2021: https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2021/08/17/antwoorden-op-kamervragen-over-het-artikel-krimpen-voert-inkomenstoets-wmo-in) . Vooralsnog is een oplossing dus nog niet in zicht.

Financiële draagkracht en de Jeugdwet

Op 26 mei 2021 deed de Centrale Raad van Beroep een tweetal interessante uitspraken over financiële draagkracht en de Jeugdwet (Jw), en dan met name bij de informele jeugdzorg: ECLI:NL:CRVB:2021:1327 en ECLI:NL:CRVB:2021:1326.

Relevante overwegingen uitspraak 1327:

 Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477, volgt uit artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 2.3 van de Jw dat het bestuursorgaan voldoende kennis dient te vergaren over de voor het nemen van een besluit over jeugdhulp van belang zijnde feiten en af te wegen belangen. Dit brengt mee dat wanneer een jeugdige of een ouder zich meldt met een vraag om jeugdhulp het college allereerst moet vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is. Vervolgens zal het college moeten vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja, welke problemen en stoornissen dat zijn. Eerst wanneer de problemen en stoornissen zijn vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Nadat de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen.

...

De Raad is van oordeel dat de in artikel 2.3, eerste lid, van de Jw bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) geen ruimte bieden voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen. Een dergelijke vergaande interpretatie vindt in de tekst noch in de geschiedenis van totstandkoming van de Jw steun.

 Relevante overwegingen uitspraak 1326:

 Zoals overwogen in de uitspraak ECLI:NL:CRVB:2021:1327, biedt artikel 2.3, eerste lid, van de Jw geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om het zelf verlenen van de jeugdhulp mogelijk te maken. Gelet hierop wordt de beroepsgrond van het college dat in het geval van betrokkene sprake is van voldoende financiële draagkracht waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de moeder toereikend zijn, verworpen.

Het college zal alsnog moeten beoordelen welke hulp naar aard en omvang nodig is

voor betrokkene bovenop de reeds toegekende (..) jeugdhulp van 8 uur per week (…). Vervolgens ligt de beoordeling voor in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van het gezin hiervoor toereikend zijn en daarna of, en zo ja welke, voorziening aan betrokkene moet worden toegekend en of deze voorziening in de vorm van een pgb kan worden verstrekt.

Analyse

De uitspraken bevestigen dat voor de beoordeling van een hulpvraag een stappenplan moet worden doorlopen.

  1. Vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder is;
  2. Vaststellen of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en zo ja welke problemen en stoornissen dat zijn;
  3. Bepalen welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
  4. Onderzoeken of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden;
  5. Als die mogelijkheden ontoereikend zijn dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen, zo nodig of mogelijk middels een pgb.

Nieuw in de uitspraken van 26 mei 2021 is het stellige standpunt dat bij de vraag of  en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden, er geen ruimte is voor een beoordeling van de financiële draagkracht. Een hulpvraag kan dus (simpel gezegd) niet worden afgewezen op de enkele grond dat een gezin voldoende middelen zou hebben om zelf de informele zorg te verlenen, en dat dus de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn.

Ook hier worstelen gemeenten mee, maar ook hier is de rechtspraak nog onverbiddelijk.