Consultatievoorstel Wet reikwijdte Jeugdwet: de belangrijkste wijzigingen op een rij
Als onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028 is op 1 januari 2026 is de Wet verbetering beschikbaarheid Jeugdzorg (gedeeltelijk) in werking getreden. Deze wet behelst onder meer dat gemeenten regionaal moeten gaan samenwerken in zogeheten Jeugdregio’s. Binnen deze regio’s organiseren zij gezamenlijk de inkoop en uitvoering van specialistische jeugdhulp, kinderbescherming en jeugdreclassering. Hoogspecialistische jeugdhulp kan landelijk worden ingekocht. De wet heeft ook wijzigingen aangebracht in de organisatie van het externe toezicht. Samengevat worden taken van de Jeugdautoriteit op grond van de wet overgedragen aan de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). De wet stelt daarnaast strengere eisen aan de financiële bedrijfsvoering, verantwoording en interne organisatie van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Een belangrijke wijziging is dat kwalificerende jeugdhulpaanbieders sinds 1 januari 2026 verplicht zijn een intern toezichthoudend orgaan te hebben welke voldoet aan de eisen van de wet.
Inmiddels is binnen de jeugdzorg alweer de volgende wetswijziging in de maak. Er loopt momenteel een consultatie over het Wetsvoorstel reikwijdte Jeugdwet. Met dit voorstel wil het kabinet de inzet van jeugdhulp gerichter en beter begrensd maken. In dit blog zetten we de belangrijkste voorgestelde wijzigingen op een rij.
Aanleiding: waarom een wetswijziging?
De afgelopen jaren is het jeugdhulpstelsel steeds zwaarder belast. Steeds meer jongeren krijgen jeugdhulp, vooral lichte ambulante hulp en geestelijke gezondheidszorg. Tegelijkertijd duren hulptrajecten gemiddeld langer. Dat zorgt voor oplopende kosten voor gemeenten en legt extra druk op het toch al beperkte aantal professionals. Daarnaast blijkt jeugdhulp niet in alle gevallen even effectief. Het nieuwe wetsvoorstel moet zorgen voor gerichtere, beter begrensde en financieel houdbare jeugdhulp.
De belangrijkste voorgestelde wijzigingen
Het consultatievoorstel bevat verschillende maatregelen die moeten zorgen voor een andere organisatie van jeugdhulp.
Sterkere lokale basis & lokale teams
- Gemeenten moeten samen met partners zorgen voor een sterke sociale en pedagogische basis.
- Iedere gemeente moet werken met stevige lokale teams die laagdrempelig advies, ondersteuning en basisjeugdhulp bieden.
Meer samenwerking rond jeugdigen
- Scholen en lokale teams moeten intensiever samenwerken.
- Gemeenten, zorgkantoren en samenwerkingsverbanden moeten beter afstemmen hoe ondersteuning op scholen voor speciaal onderwijs wordt georganiseerd.
Duidelijker wanneer jeugdhulp nodig is
- Het afwegingskader voor aanvullende jeugdhulp wordt aangescherpt. Daarbij wordt onder meer gekeken naar: de ernst van de problematiek, wat ouders en omgeving zelf kunnen doen (eigen kracht) en wat als gebruikelijke hulp wordt gezien.
Passende hulp als uitgangspunt
- Preventie en basisjeugdhulp gaan vóór aanvullende jeugdhulp.
- Groepsgerichte hulp gaat vóór individuele hulp.
- Lokale teams kijken breder naar de situatie, bijvoorbeeld ook naar mogelijke problemen bij ouders.
- Gemeenten moeten regelmatig beoordelen of een hulptraject nog nodig is of kan worden aangepast of beëindigd.
- Er kan landelijk worden vastgesteld welke vormen van jeugdhulp niet onder de Jeugdwet vallen.
- Gemeenten en medische verwijzers moeten duidelijke samenwerkingsafspraken maken
- Verwijzingen lopen in principe via het lokale team of via gecontracteerde aanbieders.
Meer sturing op kosten en duur van trajecten
- Gemeenten moeten met aanbieders afspraken maken over de duur en de kosten van jeugdhulptrajecten.
Wat betekent dit voor jeugdhulpaanbieders?
Voor aanbieders verandert vooral de manier waarop gemeenten gaan sturen op jeugdhulp. Gemeenten moeten voortaan bij contracten of subsidies concrete afspraken maken over de duur en (hoge) kosten van trajecten. Daarbij wordt ook verwacht dat gemeenten en aanbieders gedurende het traject samen monitoren hoe de hulp verloopt. Het wetsvoorstel sluit hiermee aan bij de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028, waarin gemeenten en aanbieders samen verantwoordelijk worden gemaakt voor het beheersen van de gemiddelde trajectduur.
Gemeenten kunnen bij de uitwerking gebruikmaken van bestaande richtlijnen en kwaliteitskaders, bijvoorbeeld van het NJi (Nederlands Jeugdinstituut). Tegelijkertijd blijft er ruimte voor lokale verschillen. Gemeenten kunnen bijvoorbeeld zelf bepalen bij welke kosten of trajectduren extra sturing nodig is.
Hoe nu verder?
De internetconsultatie over het concept wetsvoorstel loopt tot 13 april 2026. In deze fase kunnen burgers, organisaties en andere betrokkenen reageren op het voorstel. Na de consultatie kan het wetsvoorstel nog worden aangepast. Daarna volgen onder meer advisering door de Raad van State en behandeling in het parlement. Een exacte planning is nog niet bekend, maar de regering gaat voorlopig uit van inwerkingtreding na 1 januari 2027. Gemeenten krijgen daarmee tijd om lokale teams verder te ontwikkelen en de nieuwe werkwijze in te richten.
Heeft u vragen over het consultatievoorstel of de gevolgen daarvan? Neem dan gerust contact met ons op.