Stop met bouwen! Het opleggen van een bouwstop onder de Omgevingswet
In deze blog wordt ingegaan op een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg over de handhaving van illegale bouwactiviteiten door van het opleggen van een bouwstop (ECLI:NL:RBLIM:2024:9005). Deze uitspraak is noemsenswaardig omdat de voorzieningenrechter interessante rechtsvragen behandelt over de mogelijkheid tot het opleggen van een bouwstop onder de Omgevingswet.
De zaak in het kort
Bij de renovatie van een bestaand dak constateerde een huiseigenaar dat enkele houten constructiedelen in slechte staat verkeerden en moesten daarom worden vervangen. Volgens het college veranderde hierdoor de draagconstructie van het dak dusdanig dat een omgevingsvergunning was vereist. Het college legde een bouwstop op om te voorkomen dat de werkzaamheden zonder vergunning werden voortgezet. Ook werd een last onder dwangsom opgelegd. De huiseigenaar betoogde echter dat er geen omgevingsvergunning nodig was, omdat de draagconstructie niet wezenlijk veranderde en het bouwvolume niet werd uitgebreid.
De bouwstop onder de Omgevingswet
De voorzieningenrechter onderzoekt eerst of het college onder de Omgevingswet bevoegd is om een bouwstop op te leggen, in afwachting van de verdere te treffen handhavingsmaatregelen. Onder de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder te noemen: ‘Wabo’) was die bevoegdheid expliciet neergelegd in artikel 5.17.
In de Omgevingswet is de hiervoor genoemde bevoegdheid niet meer verankerd in een apart artikel, omdat volgens de wetgever het artikel uit de Wabo overbodig is gebleken, gezien de bestuurlijke sanctiemogelijkheden die al voortvloeien uit de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: ‘Awb’). Artikel 5:2 Awb definieert een bestuurlijke sanctie namelijk zo ruim, dat daaronder ook het treffen van beheersmaatregelen (het wegnemen of beperken van de gevolgen van een overtreding) valt, aldus de wetgever.
De voorzieningenrechter komt daarom tot de conclusie dat een bouwstop onder de Omgevingswet kan worden opgelegd in de vorm van een last onder bestuursdwang, die inhoudt dat wordt gelast om een illegale bouwactiviteit direct te beëindigen en dat, als daaraan geen volg wordt gegeven, het bevoegd gezag de activiteit zal beëindigen. Daaraan kan volgens de voorzieningenrechter tevens een last onder dwangsom worden verbonden die het doel heeft om de beëindigde illegale bouwactiviteit beëindigd te houden (de grondslag hiervoor is artikel 5:32 Awb).
Deze uitspraak maakt duidelijk dat ook onder de Omgevingswet het mogelijk blijft om een bouwstop op te leggen, maar dat de wettelijke grondslag voor deze bevoegdheid wel is veranderd (voortaan Titel 5.1 van de Awb).
Conclusie
Deze gewijzigde grondslag kan juridische consequenties hebben, die ook worden benoemd door de voorzieningenrechter. Zo kan niet op voorhand worden gezegd dat de beoordeling in alle voorkomende gevallen hetzelfde zal zijn als bij de bouwstop op basis van het vervallen artikel 5.17 van de Wabo. Een last onder bestuursdwang kan bijvoorbeeld, als geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb, niet mondeling (of telefonisch) worden opgelegd en kan een stillegging dus pas ingaan na toezending van het op schrift gestelde handhavingsbesluit. Verder is niet uitgesloten dat deze gewijzigde grondslag voor een bouwstop gevolgen kan hebben voor de jurisprudentielijn van de Afdeling dat een bouwstop een ordemaatregel is, waarbij slechts een beperkte belangenafweging aan de orde is (ECLI:NL:RVS:2024:1064 & ECLI:NL:RVS:2019:1732). Voor de huiseigenaar zit er ondertussen niets anders op dan toch de omgevingsvergunning aan te vragen.
Deze blog is ook verschenen in de SDU Nieuwsbrief Omgevingsrecht.