Lieke Feenstra - 30-07-2021

Hoe zit het met het stellen van voorwaarden aan de duur van een tijdelijke omgevingsvergunning voor een mantelzorgwoning?

Tijdelijke omgevingsvergunning

Op grond van artikel 2.12 lid 1 onder a 2° Wabo juncto artikel 4 aanhef en onder 11 Bijlage II bij het Bor kan een (kruimel)omgevingsvergunning worden verleend voor de duur van maximaal tien jaar. Voor het verlenen van een dergelijke omgevingsvergunning is vereist dat aannemelijk moet zijn dat de activiteit in kwestie na de in de vergunning gestelde termijn daadwerkelijk kan en zal worden beëindigd. Daarvoor is relevant dat het feitelijk mogelijk is dat de activiteit zonder onomkeerbare gevolgen kan worden beëindigd. De rechtspraak toont een breed scala aan voorbeelden van gevallen waarin tijdelijke omgevingsvergunningen zijn verleend, waaronder chalets op een recreatiepark (ABRvS 16 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2212), een winkelcentrum (ABRvS 22 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:487), zonneakkers (ABRvS 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1112) en motorcrossactiviteiten (ABRvS 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1063).

Een tijdelijke mantelzorgwoning

In een uitspraak van 25 juni 2021 (ECLI:NL:RBGEL:2021:3179) oordeelde de rechtbank Gelderland over een omgevingsvergunning voor het realiseren van een tijdelijke mantelzorgwoning voor de duur van maximaal tien jaar. De omgevingsvergunning is verleend door het college van burgemeester en wethouders van Epe (“het college”) aan eiser, die mantelzorg wil verlenen aan zijn moeder. Volgens het college is sprake van een bijzondere situatie, nu de mantelzorgwoning is voorzien op gronden met de bestemming “Bos”. Er zou een vaste gedragslijn zijn die eruit bestaat dat bouwen op gronden met de bestemming “Bos” niet is toegestaan. In het geval van eiser is van die gedragslijn afgeweken, uitsluitend omdat de omgevingsvergunning ziet op het verlenen van mantelzorg. Daarnaast zal de mantelzorgwoning worden gebouwd voor de voorgevel van het hoofdgebouw.

Voorwaarde omgevingsvergunning

Gelet op deze bijzondere situatie heeft het college aan de omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat indien voor het verstrijken van de tienjaarstermijn het gebruik ten behoeve van mantelzorg wordt beëindigd, de mantelzorgwoning binnen twee maanden nadat de behoefte aan mantelzorg niet meer bestaat, moeten worden verwijderd. Volgens het college is van beëindiging van het gebruik ten behoeve van mantelzorg sprake op het moment dat er gedurende zes maanden geen bewoning meer is in het kader van mantelzorg. Bij het eindigen van mantelzorgbewoning wordt bijvoorbeeld gedacht aan een langdurige opname in een verzorgingshuis. Eiser vindt deze voorwaarde, waarbij de maximale duur van de omgevingsvergunning van tien jaar wordt ingeperkt, onredelijk. Hij wijst erop dat niet is uitgesloten dat zijn moeder langer dan zes maanden in bijvoorbeeld een ziekenhuis of zorginstelling zal moeten verblijven, maar dat het wel de bedoeling is dat zij op termijn naar de mantelzorgwoning zal terugkeren.

Het inperken van de maximale duur van een tijdelijke omgevingsvergunning

De rechtbank oordeelt dat, gelet op de bijzondere situatie, het op zichzelf redelijk is dat het college de voorwaarde stelt dat de mantelzorgwoning binnen twee maanden moet worden verwijderd, indien de woning gedurende zes maanden niet meer bewoond wordt voor mantelzorg. Die voorwaarde dient volgens de rechtbank echter wel te voorzien in een clausule die inhoudt dat het terugkeren van de zorgbehoevende – de moeder van eiser – naar de mantelzorgwoning mogelijk is in het geval van een noodzakelijk verblijf elders langer dan zes maanden, waarbij de kans bestaat op terugkeer naar de mantelzorgwoning.


Oftewel, de uitspraak van de rechtbank Gelderland laat zien dat het mogelijk is om aan een tijdelijke omgevingsvergunning voor een mantelzorgwoning een voorwaarde te verbinden die erop neerkomt dat de maximale duur van de vergunning wordt ingeperkt op het moment dat de woning niet langer wordt gebruikt voor mantelzorg. Die voorwaarde mag er echter niet uit bestaan dat de mantelzorgwoning moet worden verwijderd wanneer de kans bestaat dat de zorgbehoevende nog zal terugkeren naar de mantelzorgwoning.

Deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU.