Véza Vos - 16-01-2018

Het medisch beroepsgeheim na overlijden van een patiënt

Het komt geregeld voor dat nabestaanden van een overleden patiënt inzage vragen in het medisch dossier. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat de nabestaanden aan de hand van het dossier willen (laten) vaststellen of sprake is van een medische fout van de hulpverlener, maar ook kan het zijn dat de nabestaanden – met het oog op een eventuele uitkering uit een levensverzekering – informatie nodig hebben over de doodsoorzaak van de overledene.

Gegevens van overledenen zijn geen persoonsgegevens in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (en de concept Uitvoeringswet Algemene verordening gegevensbescherming). Toch wordt in het algemeen aangenomen dat het medisch beroepsgeheim wel na overlijden van een patiënt geldt.  Een arts mag aan nabestaanden dus in principe geen inzage in het dossier van de overledene verstrekken.

In de rechtspraak zijn op die hoofdregel twee uitzonderingen geformuleerd. Allereerst kan het beroepsgeheim worden doorbroken indien de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven om informatie uit zijn/haar dossier te delen met nabestaanden. Heeft de patiënt geen expliciete toestemming gegeven, dan zullen de nabestaanden concrete aanwijzingen moeten aanvoeren op grond waarvan mag worden aangenomen dat de patiënt bij leven toestemming zou hebben gegeven (de zogenoemde veronderstelde toestemming) en ook zullen de nabestaanden moeten aantonen dat zij een rechtmatig belang bij inzage hebben. Gedacht kan worden aan de situatie waarbij iemand, die zeer nauw betrokken is geweest bij de behandeling van de overleden patiënt, een klacht indient tegen een hulpverlener wegens een vermeende medische fout. In dat geval zou kunnen worden aangenomen dat de patiënt hier bij leven toestemming voor zou hebben gegeven. Naast de (veronderstelde) toestemming kan het beroepsgeheim ook worden doorbroken indien sprake is van een zwaarwegend belang van de nabestaande. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien twijfel bestaat over de wilsbekwaamheid van de (inmiddels overleden) patiënt ten tijde van het opmaken van zijn/haar testament.

In de praktijk blijkt dat het voor hulpverleners niet altijd duidelijk is of het beroepsgeheim na overlijden van de patiënt kan worden doorbroken. De wet biedt op dit punt geen houvast. Om die reden is inmiddels een concept wetsvoorstel gepubliceerd waarin een inzagerecht voor nabestaanden wordt geïntroduceerd. Het betreft de gevallen waarin:

  • de overleden patiënt bij leven schriftelijk of elektronisch toestemming heeft gegeven voor inzage na overlijden;
  • de nabestaande op grond van de Wet kwaliteit klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een mededeling van een zorgaanbieder heeft ontvangen van een calamiteit of van geweld in de zorgrelatie, of;
  • de nabestaande een zwaarwegend belang heeft bij inzage, er voldoende concrete aanwijzingen zijn dat dit belang wordt geschaad en inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit zwaarwegend belang.

Het valt op dat het leerstuk van de veronderstelde toestemming in deze regeling niet terugkomt. In plaats daarvan wordt een inzagerecht geïntroduceerd bij calamiteiten of geweld in de zorgrelatie. De vraag of nabestaanden een inzagerecht hebben, wordt dus afhankelijk van de vraag of de zorgaanbieder bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd i.o. een calamiteitenmelding heeft gedaan. Is dat laatste niet het geval en heeft de patiënt bij leven ook geen toestemming gegeven, dan dient de nabestaande terug te vallen op het zwaarwegend belang. De wetgever heeft zich vooralsnog echter niet uitgelaten over de vraag wat wel en wat niet als zwaarwegend belang heeft te gelden. Een stevige houvast biedt het concept wetsvoorstel dus helaas (nog) niet, maar mogelijk dat de wetgever dat nog nader zal concretiseren.

Inmiddels heeft de Raad van State advies over het concept wetsvoorstel uitgebracht, maar dat advies is (nog) niet gepubliceerd. Of het voorstel ook daadwerkelijk wet wordt, is nog even afwachten. Uiteraard houden wij u van de ontwikkelingen op de hoogte.