Laurien Mulder - 25-11-2020

E-laadpalen: de Dienstenrichtlijn en schaarse vergunningen

De minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: ‘de minister’) moet zich opnieuw buigen over de vergunning voor het hebben, behouden en onderhouden van zes oplaadpalen (e-laadpalen) voor elektrische motorvoertuigen op verzorgingsplaats Den Ruygen Hoek-Oost langs de A4, zo oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) op 4 november (ECLI:NL:RVS:2020:2607).

De vergunning voor de zogenoemde aanvullende voorziening als bedoeld in de Wet beheer rijkswaterstaatswerken (hierna: ‘de Wbr’) en de bijbehorende Kennisgeving Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (hierna: ‘beleid’) is verleend aan Wegrestaurant Burgerveen B.V. (hierna: ‘vergunninghouder’). Het wegrestaurant is een van de basisvoorzieningen die zich op Den Ruygen Hoek-Oost bevinden. De andere basisvoorzieningen zijn het benzinestation van Shell en het oplaadstation voor elektrische voertuigen van Fastned.

Fastned kan zich met het verlenen van de vergunning niet verenigen. Kort gezegd, had Fastned willen meedingen naar de vergunning voor het e-laadpunt als aanvullende voorziening die aan vergunninghouder is verleend. Volgens Fastned is het in strijd met artikel 10 van de Dienstenrichtlijn dat alleen houders van een vergunning voor een basisvoorziening (niet zijnde een e-laadpunt) een vergunning voor een oplaadstation als aanvullende voorziening mogen aanvragen, zoals dat in het beleid is neergelegd. Zo wordt er ongerechtvaardigd onderscheid gemaakt en is geen sprake van eerlijke en onpartijdige behandeling.

Uitspraak rechtbank

De rechtbank Noord-Holland gaf Fastned hierin in september 2019 gelijk: de minister had geen onderscheid mogen maken in de procedure die zij volgt voor oplaadpalen als basisvoorziening (die in een openbare procedure worden verleend) en voor oplaadpalen als aanvullende voorziening (waar geen openbare procedure voor wordt gevolgd). De rechtbank oordeelt dat de minister voor deze vergunning ook voor een openbare procedure had moeten kiezen.

De minister was het hier niet mee eens en is tegen de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij de Afdeling.

Artikel 10 Dienstenrichtlijn

De vraag die voorlag bij de Afdeling is of het onderscheid bij de vergunningverlening van een laadpunt als aanvullende voorziening tussen gevestigde vergunninghouders van een basisvoorziening (niet zijnde een e-laadpunt) en andere partijen een gerechtvaardigde beperking van de vrijheid van vestiging is als bedoeld in artikel 10 van de Dienstenrichtlijn. Van een gerechtvaardigde beperking is sprake als een dwingende reden van algemeen belang bestaat en als de beperking evenredig is.

Met haar beroep op de Dienstenrichtlijn kon Fastned bereiken dat het in het beleid opgenomen onderscheid tussen houders van vergunningen van basisvoorzieningen, niet zijnde een e-laadpunt, zoals het wegrestaurant, en degene die geen houder is van zo’n vergunning, zoals Fastned zelf,  niet kan worden toegepast.

Dwingende redenen van algemeen belang

De minister voerde aan dat het belang van de verkeersveiligheid op de verzorgingsplaatsen en het eigendoms- en beschikkingsrecht twee dwingende redenen van algemeen belang voor de beperking zijn, die in samenhang moeten worden bezien. De minister slaagt er volgens de Afdeling echter niet in te motiveren dat het eigendoms- en beschikkingsrecht in het licht van het leerstuk van de privaatrechtelijke belemmering een zelfstandige dwingende reden van algemeen belang is als bedoeld in artikel 4, aanhef en achtste lid, van de Dienstenrichtlijn.

Evenredigheid

De minister voerde bovendien aan dat de clustering van aanvullende voorzieningen bij basisvoorzieningen nodig is om het doelmatig en veilig gebruik van de verzorgingsplaatsen in Nederland te verzekeren.

De Afdeling is, net als de rechtbank, van oordeel dat het criterium dat de vergunning voor aanvullende voorzieningen bij een basisvoorziening (niet zijnde een e-laadpunt) is voorbehouden aan vergunninghouders van een basisvoorziening niet noodzakelijk is om te kunnen voldoen aan de uit een oogpunt van veiligheid vereiste clustering van voorzieningen.

Niet gebleken is dat die clustering niet kan worden bereikt op een wijze die minder beperkend is voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging van dienstverrichters die geen houder zijn van een vergunning voor een basisvoorziening. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat dit voorbehoud in het beleid in strijd is met artikel 10, tweede lid, onder c, van de Dienstenrichtlijn.

E-laadpalen schaarse vergunningen?

Een vergunning voor een e-laadstation als aanvullende voorziening, is zoals de Afdeling al eerder oordeelde in haar uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2645, geen schaarse vergunning.  Dit is omdat het aantal vergunningen dat de minister wil afgeven voor een e-laadpunt als aanvullende voorziening niet beperkt is. De verlening van de vergunning heeft geen gevolgen voor de mogelijkheid voor andere exploitanten van een bestaande basisvoorziening om daarbij een laadpaal te plaatsen of voor de mogelijkheid van Fastned om meer laadpalen te plaatsen bij haar snellaadstation (als basisvoorziening) op de verzorgingsplaats.

Wel geldt dat de minister andere partijen niet zonder meer kan uitsluiten van een vergunning voor een e-laadpunt als aanvullende voorziening bij het wegrestaurant.

Dat betekent dat de minister bij de beoordeling van de voorliggende aanvraag ook rekening moet houden met mogelijke aanvragen van andere gegadigden. Het is daarbij vervolgens aan de minister om met inachtneming van de concrete situatie te beoordelen of een voorliggende aanvraag om een e-laadpunt als aanvullende voorziening bij het wegrestaurant voldoet aan de eisen van veilig en doelmatig gebruik van de verzorgingsplaats als bedoeld in de Wbr.

Conclusie

Het hoger beroep is aldus ongegrond; de minister moet bij de beoordeling van de aanvraag van het wegrestaurant rekening het beleid voor het deel waarin het hiervoor besproken voorbehoud is opgenomen buiten toepassing laten. De minister moet bij de beoordeling van de opengevallen aanvraag ook rekening houden met mogelijke aanvragen van andere partijen.

Deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU.