Sarah van der Pol - 16-10-2025

Bestuursorgaan procedeert tegen zichzelf (en verliest)

In de uitspraak van 8 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4610) trekt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: ‘de Afdeling’) een grens: de gemeenteraad kan tegen zijn eigen herstelbesluit geen beroep instellen en de gemeente kan geen beroep instellen tegen het herstelbesluit van de gemeenteraad van de eigen gemeente.

Op het eerste gezicht lijkt dit een logisch en vooral formalistisch oordeel, maar bij nadere beschouwing raakt deze uitspraak de kern van de wijze waarop bestuursorganen hun besluitvorming voorbereiden, hun procespositie bepalen en hun bestuurlijke strategie vormgeven.

Waar gaat de zaak over?

De gemeenteraad heeft een herstelbesluit genomen naar aanleiding van een tussenuitspraak. De gemeenteraad en de gemeente hebben beroep ingesteld tegen dit herstelbesluit, omdat zij vreesden dat met het herstelbesluit meerdere zogenoemde postzegelplannen zijn overschreven. De gemeenteraad en de gemeente hebben de Afdeling verzocht te oordelen dat het herstelbesluit niet als een integraal vaststellingsbesluit, maar als een reparatiebesluit wordt aangemerkt voor de wijziging van de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken. Voor zover de Afdeling daar anders over zou oordelen, verzoeken zij de Afdeling om aan te geven op welke wijze de gemeenteraad het door hem ongewenst geachte gevolg van het herstelbesluit moet herstellen.

De Afdeling maakt daar in deze uitspraak korte metten mee. Het openstellen van beroep voor belanghebbenden tegen besluiten van bestuursorganen is bedoeld om bescherming te bieden tegen overheidshandelen. Het is niet de bedoeling dat een bestuursorgaan via dit rechtsmiddel zijn eigen besluit ongedaan kan maken.

Het rechtsmiddel is ook niet bedoeld om de gemeente rechtsbescherming te bieden tegen het herstelbesluit. De gemeente heeft geen bij het herstelbesluit rechtstreeks betrokken belang. Op grond van artikel 171 van de Gemeentewet vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente in en buiten rechte. Het is aan de burgemeester om met de gemeenteraad af te stemmen hoe het gezamenlijk belang kan worden gediend. Vervolgens kan de gemeenteraad daaraan uitvoering geven door het nemen van een nieuw of gewijzigd besluit. De gemeente is geen belanghebbende bij het herstelbesluit.

Waarom is dit juridisch belangrijk?

Hoewel de letterlijke bewoordingen van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet uitsluiten dat een bestuursorgaan of een gemeente (als rechtspersoon) als belanghebbende kan worden aangemerkt, benadrukt de Afdeling in deze uitspraak het doel van de belanghebbendheidstoets: het bieden van rechtsbescherming tegen overheidshandelen. Bestuursorganen en gemeenten als rechtspersonen kunnen niet via het beroep tegen een (eigen) besluit opkomen, omdat dat besluit ongewenste gevolgen heeft. De bestuursrechter is geen intern correctiemechanisme voor bestuursorganen.

Wat betekent dit voor de (gemeentelijke) praktijk?

  • Interne afstemming binnen de gemeente is cruciaal. Problemen met een herstelbesluit moeten politiek-bestuurlijk worden opgelost en niet via de rechter.
  • De burgemeester speelt een centrale rol in politiek-bestuurlijke oplossingen. Op grond van artikel 171 Gemeentewet vertegenwoordigt de burgemeester de gemeente “in en buiten rechte”. Hij of zij moet dus zorgen dat de gemeenteraad, het college en de ambtelijke organisatie goed op één lijn zitten als een besluit ongewenste effecten heeft.
  • Als het herstelbesluit onbedoelde juridische gevolgen heeft, is de juiste route het nemen van een nieuw of gewijzigd besluit. Dat is niet het instellen van beroep.

Met andere woorden: niet procederen, maar besturen.

Afronding

Deze uitspraak bevestigt dat de bestuursrechter vooral waakt over de rechtsbescherming tegen overheidshandelen. Voor de (gemeentelijke) praktijk is de boodschap helder: Als er iets misgaat met een besluit, pak het bestuurlijk aan.

Deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU.