Begraafplaatsen en schaarse grond
Een begraafplaats lijkt op het eerste gezicht vooral een fysieke plek: een terrein met graven, paden en groenvoorzieningen. Maar achter elke begraafplaats gaat een zorgvuldig juridisch traject schuil. Voordat de eerste schop de grond in kan, moeten gemeenten, kerkgenootschappen en initiatiefnemers verschillende wettelijke en bestuurlijke procedures doorlopen. Voor de aanleg en instandhouding van begraafplaatsen is de Wet op de lijkbezorging (hierna: ‘Wlb’) de aangewezen wet.
Binnen de Wlb neemt artikel 38 Wlb een bijzondere plaats in. Deze bepaling regelt de aanspraak van kerkgenootschappen op grond voor begraafplaatsen. Artikel 38 Wlb luidt als volgt:
“Een kerkgenootschap is gerechtigd tot het hebben van één of meer kerkelijke begraafplaatsen tot een zodanige uitgestrektheid, als overeenkomt met een redelijk deel van de grond, welke in de gemeente voor de begraafplaatsen bestemd is. De gemeenteraad kan aan een kerkgenootschap op zijn verzoek toestaan, meer of grotere begraafplaatsen te hebben, onverminderd het recht van de andere kerkgenootschappen, bedoeld in de eerste volzin.”
In de praktijk dienen kerkgenootschappen met enige regelmaat verzoeken in voor de aanleg of uitbreiding van een (bijzondere) begraafplaats. Dit roept voor gemeenten een belangrijke vraag op: wat moet worden verstaan onder een “redelijk deel van de grond” en hoe dient die ruimte te worden verdeeld wanneer beschikbare grond schaars is? In deze blog wordt besproken hoe artikel 38 Wlb moet worden uitgelegd, welke betekenis toekomt aan een ‘redelijk deel van de grond’.
Artikel 38 Wlb
Volgens de Memorie van Toelichting van de Wlb (hierna: ‘de MvT’) is de toegekende aanspraak van een kerkgenootschap beperkt tot een zodanig deel als in verband met de plaatselijke sterkte van dat kerkgenootschap redelijk is te achten. Hierna wordt de MvT geciteerd:
“Artikel 40 (oud) waarborgt het aloude recht van kerkgenootschappen om eigen begraafplaatsen te hebben. Gezien de beperktheid van de oppervlakte, welke in vele gemeenten voor begraafplaatsen beschikbaar is, wordt de bij dit artikel toegekende aanspraak voor elk kerkgenootschap beperkt tot zodanig deel van het voor begraafplaatsen in de gemeente bestemde arsenaal, als in verband met de plaatselijke sterkte van dat kerkgenootschap redelijk is te achten. De aanwijzing kan alleen geschieden in overeenstemming met een bestemmingsplan, zo dat aanwezig is.”1
Vervolgens is het de vraag hoe de plaatselijke sterkte wordt bepaald. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten legt dat als volgt uit:
“Volgens artikel 38 is een kerkgenootschap gerechtigd om een begraafplaats te hebben die naar verhouding qua omvang overeenkomt met het aantal kerkelijke leden in de gemeente. Als 10% van de inwoners van een gemeente lid is van een bepaald kerkgenootschap, dan dient de gemeente toe te staan dat deze een begraafplaats heeft van de omvang van 10% van de begraafplaatsen in de gemeente.”
Deze regel geldt ook voor andere geloofsgemeenschappen.
Concreet houdt het voorgaande in dat een kerkgenootschap is gerechtigd tot het hebben van één of meer begraafplaatsen die naar verhouding qua omvang overeenkomt met het aantal leden in de gemeente.
Afronding
Artikel 38 Wlb waarborgt het recht van kerkgenootschappen om één of meer eigen begraafplaatsen te hebben. Dit recht is niet onbegrensd. De omvang van de begraafplaats moet in redelijke verhouding staan tot de plaatselijke sterkte van het kerkgenootschap. Bij de beoordeling van een verzoek om aanleg of uitbreiding van een begraafplaats dient de gemeente daarom na te gaan welk aandeel van de voor begraafplaatsen beschikbare grond redelijkerwijs aan het betreffende kerkgenootschap toekomt.
In de praktijk is het niet altijd eenvoudig vast te stellen hoeveel leden een kerkgenootschap lokaal heeft. Gemeenten kunnen daarom gebruikmaken van beschikbare gegevensbronnen, zoals cijfers van het CBS, gegevens van vergelijkbare kerkgenootschappen of andere objectieve informatie waaruit de plaatselijke omvang van een geloofsgemeenschap kan worden afgeleid. Op basis daarvan kan een redelijke schatting worden gemaakt, die vervolgens bij de besluitvorming wordt betrokken.
Kan een kerkgenootschap zich niet verenigen met deze schatting, dan ligt het voor de hand dat het kerkgenootschap zelf nadere gegevens verstrekt waaruit het werkelijke aantal leden blijkt. Op die manier kan worden beoordeeld welk deel van de voor begraafplaatsen beschikbare grond in het concrete geval als een ‘redelijk deel’ in de zin van artikel 38 Wlb moet worden aangemerkt.
1 Kamerstukken II 1970/71, 11 256, nr. 3, p. 12 (MvT)
Deze bijdrage is ook gepubliceerd in de Nieuwsbrief Omgevingsrecht van SDU.