Doorstart van de Wet open overheid



Op 5 juli 2012 dienden de Tweede Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) een initiatiefwetsvoorstel voor de Wet open overheid (de Woo) in. Overheden en semi-overheden worden in dit voorstel transparanter gemaakt om zo het belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische rechtsstaat, de burger, het bestuur en economische ontwikkeling beter te dienen. Het voorstel gaat ervan uit dat de Wet openbaarheid van bestuur (de Wob) wordt ingetrokken.

Het ontwerp uit 2012 werd meerdere keren aangepast. Zo kende het oorspronkelijke voorstel de in- en aanstelling van een nationale informatiecommissaris en zou de Wet hergebruik overheidsinformatie ook in de Woo worden opgenomen. Beide punten haalden de eindstreep niet. Wat het uiteindelijke wetsvoorstel zou moeten zijn (en al door de Tweede Kamer was aangenomen), bleef tijdens de Eerste Kamerbehandeling evenmin zonder kritiek. Een quick scan in twee delen (één voor de Rijksoverheid, één voor de overige overheden) wees uit dat het wetsvoorstel niet uitvoerbaar was en tot hoge extra kosten zou leiden die in meerjarencijfers niet waren gedekt. Uiteindelijk werd de behandeling van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer aangehouden, in afwachting van de indiening van een wijzigingsvoorstel bij de Tweede Kamer.

Het oorspronkelijke voorstel voor de Woo – een greep uit de veranderingen t.o.v. de Wob

Het wetsvoorstel voor de Woo kenmerkt zich door een grotere aandacht voor actieve openbaarmaking. De Woo heeft een bredere reikwijdte dan de Wob, zo is de Woo – kort gezegd – niet langer alleen op bestuursorganen van toepassing (art. 2.2, denk aan beide Kamers van de Staten-Generaal en de Nationale ombudsman). Documenten zouden binnen 14 dagen na vaststelling actief openbaar gemaakt moeten worden (art. 3.3). Verder is de beslistermijn van 4+4 weken teruggebracht naar 4+2 weken (art. 4.4). In art. 4.6 is een antimisbruikbepaling opgenomen. Tot slot vindt men de uit de Wob bekende weigeringsgronden terug, maar sommige zijn aangepast (artt. 5.1 e.v.). Zo is de weigeringsgrond ten aanzien van vertrouwelijk meegedeelde fabricagegegevens niet langer absoluut, maar relatief. Een andere voorbeeld is dat de g-grond (onevenredige bevoor- of benadeling) daadwerkelijk zal fungeren als restgrond en niet langer in combinatie met andere weigeringsgronden kan worden toegepast.

Een gewijzigd voorstel voor de Woo: actieve openbaarmaking wordt een inspanningsverplichting en de registerplicht is geschrapt

Zoals gezegd is ook het laatste ontwerp van de Woo niet zonder kritiek gebleven. Onderwerp van de grootste kritiek was in algemene zin de vergaande verplichting tot actieve openbaarmaking en in het bijzonder de registerplicht uit art. 3.2. Ieder bestuursorgaan zou een elektronisch toegankelijk openbaar register moeten bijhouden van de documenten die bij hem berusten.

De initiatiefnemers van de Woo hebben een voorstel voor een wijzigingswet aanhangig gemaakt bij de Tweede Kamer (parlementair dossier 35112). Ter tegemoetkoming aan de kritiek is de centrale bepaling over actieve openbaarmaking (art. 3.1) – zowel qua titel als inhoud – omgevormd tot een inspanningsverplichting; bestuursorganen maken bij de uitvoering van hun taak zoveel als redelijkerwijs mogelijk (zonder onevenredige inspanning of kosten) uit eigen beweging informatie openbaar.

De meest in het oog springende verandering is het laten vervallen van het informatieregister. Met deze registerplicht gingen nog enkele andere verplichtingen gepaard die ook vervallen. Zo vervalt het tweede lid van art. 3.5, waarin was geregeld dat een bestuursorgaan – dat (nog) niet beschikt over een register – in de openbaarheidsparagraaf van het jaarverslag aandacht besteed aan de invoering daarvan. Ook vervalt de tweede volzin van het vierde lid van art. 4.1, waarin was bepaald dat een elektronisch aanvraagformulier bestond dat verbonden was met het register om de daarin vermelde maar nog niet openbare documenten openbaar te maken.

In plaats van het informatieregister is een nieuw hoofdstuk 6 (“Digitale informatiehuishouding”) toegevoegd. Volgens art. 6.1 moeten bestuursorganen maatregelen nemen voor het duurzaam toegankelijk maken van digitale documenten. Art. 6.2 vormt de basis voor een Rijksbreed meerjarenplan voor de verbetering van de digitale informatiehuishouding. Ingevolge art. 6.3 wordt een Tijdelijk Adviescollege Informatiehuishouding ingericht dat jaarlijks rapporteert over het Rijksbrede meerjarenplan en adviseert over de aanpassing daarvan.

Enkele andere doorgevoerde wijzigingen

In de kamerstukken vindt men ook andere wijzigingen terug:

  • De definitie van ‘document’ is veranderd.
  • De koepelorganisaties van openbare lichamen – de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen – vallen niet langer onder het bereik van de Woo.
  • De verplichting tot het onverkort, actief openbaar maken van emissiegegevens is geschrapt en ziet men terug als uitzondering op de weigeringsgronden uit art. 5.1 (zie het nieuwe lid 6).
  • In het nieuwe art. 4.7 is bepaald dat een bestuursorgaan één of meer contactpersonen aanwijst die burgers kan/kunnen informeren over de beschikbaarheid van overheidsinformatie.
  • Aan art. 5.1 lid 2 is onder i een nieuwe weigeringsgrond toegevoegd: het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen.
  • Art. 5.3 ging ervan uit dat informatie ouder dan vijf jaar in principe actief openbaar gemaakt moest worden, tenzij het bestuursorgaan zou motiveren waarom de weigeringsgronden – ondanks het tijdsverloop – zwaarder hebben te wegen dan het algemeen belang. Inmiddels ziet art. 5.3 niet meer op actieve openbaarmaking, maar op informatie op verzoek.

Slotobservaties

Naar aanleiding van het wijzigingswetsvoorstel vroegen sommigen zich af of de Woo nu werkelijk nog verschilt van de Wob en of men niet toe zou kunnen met slechts aanpassing van de Wob. Wat er van dat laatste punt ook zij, met de Woo is duidelijk een stelsel beoogd dat uitgaat van een grotere mate van actieve openbaarheid dan nu met de Wob wordt bereikt.

In dat kader valt wel iets anders op. Het register dwong impliciet af dat een bestuursorgaan zijn digitale huishouding op orde moest hebben. Dit oogmerk steunde op twee pijlers. Ten eerste moest de interne vindbaarheid van documenten op orde worden gebracht. Ten tweede moest de externe inzichtelijkheid van documenten aanzienlijk worden verbeterd. Met het schrappen van de registerplicht moet hoofdstuk 6 de eerste pijler ondervangen. De invoering van de contactpersoon uit art. 4.7 ondervangt de tweede pijler.

De initiatiefnemers verwachten dat het acht jaar gaat duren om de digitale doelstelling geheel te realiseren. Aangegeven wordt dat bestuursorganen nu al kunnen beginnen met de uitvoering daarvan; volgens de initiatiefnemers betreft het een verplichting die ook zonder de Woo al op bestuursorganen rust. Vermoedelijk wordt (in ieder geval) gedoeld op de zorgplicht uit art. 3 Archiefwet 1995. Overigens wordt in het kader van de digitale overheid ook gewerkt aan aanpassing van de Archiefwet.

Uit de Memorie van Toelichting bij het wijzigingswetsvoorstel (evenals uit de Wob-praktijk overigens) blijkt wel dat de zorgplicht niet (bij ieder bestuursorgaan) tot het gewenste resultaat leidt qua actieve openbaarmaking. Dan rijst de vraag of in hoofdstuk 6 niet ook concrete doelstellingen en deadlines, en misschien zelfs bevoegdheden van toezicht en sanctionering, hadden moeten worden opgenomen. Zo bepaalt art. 10.2c – kort gezegd – dat hoofdstuk 6 vervalt bij het behalen van de doelstelling. Maar wanneer is dat objectief het geval? Tot slot nog een vraag die hierbij speelt, is in hoeverre de contactpersoon uit art. 4.7 zijn werk (goed) kan doen zo lang de doelstellingen nog niet zijn behaald.

De huidige stand van zaken omtrent het wijzigingswetsvoorstel is dat de behandeling bij de Tweede Kamer is aangehouden, totdat het advies van de Raad van State en de reactie daarop van de initiatiefnemers zal zijn ontvangen.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Pieter Swagemakers (tel. 023 – 553 0233), swagemakers@potjonker.nl of één van de andere advocaten van de sectie Bestuurs- en Overheidsrecht van Pot Jonker Advocaten.

Vond u deze blog interessant en wilt u op de hoogte blijven? Schrijft u zich dan in voor onze nieuwsbrief .




Actueel / blog

Wat is ervoor nodig om een initiatief op te laten nemen in een bestemmingsplan? Een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

In Bedrijfsjuridische berichten 2019/6 bespreekt Rachel Hoeneveld de jurisprudentie van de Afdeling over het opnemen van nog niet gerealiseerde initiatieven in bestemmingsplannen. Het artikel treft u hieronder aan: Bb 2019-06


Update ondernemingsrecht

Pot Jonker houdt voortdurend bij met welke ontwikkelingen onze klanten rekening moeten houden. In deze nieuwsbrief gaan wij in op acht ontwikkelingen die relevant zijn op het gebied van het ondernemingsrecht. 1. Wet bescherming bedrijfsgeheimen in werking getreden Tot voor kort waren rechthebbenden die wilden optreden tegen inbreuken op hun bedrijfsgeheimen aangewezen op het algemene  ❯

Pot Jonker Advocaten
Pot Jonker Advocaten
17 april 2019

Netherlands Commercial Court (of Appeal): procederen in commerciële geschillen nu mogelijk in het Engels

Per 1 januari 2019 is het Netherlands Commercial Court (NCC) bij de rechtbank Amsterdam en het Netherlands Commercial Court of Appeal (NCCA) bij het gerechtshof van Amsterdam ingevoerd. Bij die gerechten is het mogelijk om civiele- en handelsgeschillen te voeren in de Engelse taal. Dit geldt voor de gehele procedure: van processtukken en correspondentie tot  ❯


Nieuwe boetebeleidsregels Autoriteit Persoonsgegevens

Op 14 maart 2019 zijn aangepaste boetebeleidsregels van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) gepubliceerd in de Staatscourant (nr. 14586). De oude boetebeleidsregels waren achterhaald sinds de inwerkingtreding van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Met de aangepaste boetebeleidsregels geeft de AP inzicht op welke wijze de hoogte van een boete wordt berekend bij schending van onder meer  ❯


Internetconsultatie Wet Franchise afgerond

Op 31 januari 2019 is de internetconsultatie van het wetsvoorstel Wet Franchise afgerond. De verwachting is dat later dit jaar een definitief wetsvoorstel aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. De Wet Franchise moet leiden tot een aantal nieuwe bepalingen die met name dienen om franchisenemers te beschermen. Er wordt in het wetsvoorstel geen gebruik  ❯


Onteigening anno 2021

Als het aan het kabinet ligt, gaat de onteigeningsprocedure op de schop in het kader van de invoering van de Omgevingswet. De huidige Onteigeningswet, waarvoor de basis nog door Thorbecke is gelegd in 1851, verdwijnt dan na meer dan anderhalve eeuw definitief uit beeld. De tweedeling tussen een administratieve procedure – waarin het erom gaat  ❯


Stem hier voor genomineerde Babette Blaisse bouwrecht advocaat van het jaar!

Stemmen via deze link

Pot Jonker Advocaten
Pot Jonker Advocaten
29 maart 2019

Zorgaanbieders opgelet: op 1 juni 2019 dient u een jaaroverzicht geweldsincidenten klaar te hebben!

Het komt helaas wel eens voor dat cliënten die in een zorginstelling verblijven elkaar lichamelijk en/of geestelijk geweld aandoen. Indien deze cliënten ten minste een dagdeel in dezelfde accommodatie verblijven, dienen die incidenten onverwijld bij de Inspectie te worden gemeld op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) en de Jeugdwet. In  ❯


Doorstart van de Wet open overheid

Op 5 juli 2012 dienden de Tweede Kamerleden Voortman (GroenLinks) en Van Weyenberg (D66) een initiatiefwetsvoorstel voor de Wet open overheid (de Woo) in. Overheden en semi-overheden worden in dit voorstel transparanter gemaakt om zo het belang van openbaarheid van publieke informatie voor de democratische rechtsstaat, de burger, het bestuur en economische ontwikkeling beter te  ❯


Klagen over collega’s: kan het wel of kan het niet?

Met enige regelmaat ontvangen de Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg klachten van zorgverleners tegen ‘collega-zorgverleners’. In een dergelijk geval dient het Tuchtcollege zich allereerst te buigen over de vraag of de klager klachtgerechtigd is. Zo ook het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle. In die zaak ging het om een bedrijfsarts die een zieke werknemer  ❯