Netlaw

Pot Jonker Seunke Advocaten N.V. is gevestigd te Haarlem en ingeschreven in het handelsregister onder nummer 34272986

BTW-nr. 8179.45.350.B.01

Nieuwsbrief Platform Onderwijsjuristen, werkgroep arbeidsrecht, juli 2009

 

Voorzieningenrechter Rechtbank ’s-Hertogenbosch, 27 februari 2006, LJN: AV2889

Is er sprake van een onrechtmatige wijze van klachtbehandeling in het onderwijs? En wat is de rol van de burgerlijke rechter na uitspraak klachtencommissie?

 

Op 9 juli 2005 heeft de klachtencommissie zes van de zeven klachten die jegens een locatiedirecteur in het bijzonder onderwijs waren ingediend, gegrond verklaard. De locatiedirecteur was tevens belast met het verzorgen van de gymlessen aan groep 7/8. De klachten die gegrond zijn verklaard zijn:

 

Volgens de locatiedirecteur zou de klachtencommissie de klachten niet met zorgvuldigheid hebben behandeld. Bovendien zou de uitspraak inhoudelijk niet voldoen aan de eisen die daar redelijkerwijs aan mogen worden gesteld. De klachtencommissie zou de klachten ten onrechte hebben aangemerkt als klachten over machtsmisbruik. Vervolgens zou de klachtencommissie inbreuk hebben gemaakt op het fundamenteel beginsel van hoor en wederhoor. Daarnaast zou de klachtencommissie haar uitspraak onvoldoende hebben gemotiveerd. En tot slot heeft de klachtencommissie door in haar uitspraak te verwijzen naar artikel 3 van de klachtenregeling de suggestie versterkt dat de locatiedirecteur zich schuldig zou hebben gemaakt aan seksuele misdragingen.

 

Volgens de voorzieningrechter is de locatiedirecteur – in tegenstelling tot wat de klachtencommissie als verweer naar voren had gebracht – wel ontvankelijk in zijn vordering. Omdat de klachtenregeling niet voorziet in de mogelijkheid van hoger beroep, moet – in dit geval – de locatiedirecteur de door hem gestelde onrechtmatige wijze van uitvoering van de klachtenbehandeling aan de burgerlijke rechter kunnen voorleggen. Daarbij dient wel in het oog te worden gehouden dat deze rechtsgang slechts kan dienen om een onrechtmatige wijze van klachtbehandeling, die oorzaak is geweest van een kennelijk onjuiste en schadelijke uitspraak, recht te zetten. Het in dergelijke gevallen openstaande beroep op de burgerlijke rechter kan evenwel niet misbruikt worden voor een verkapt hoger beroep van de uitspraak van de geschillencommissie.

 

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden omdat de locatiedirecteur op de hoorzitting gelegenheid heeft gehad om de feiten waarop de klachten betrekking hadden, alsnog tegen te spreken. Voorts is de voorzieningrechter van oordeel dat de klachtencommissie haar uitspraak voldoende heeft gemotiveerd. Aan de motivering van uitspraken van klachtencommissies kunnen niet dezelfde eisen worden gesteld als aan de motivering van vonnissen van de burgerlijke rechter. Verder is de voorzieningrechter van oordeel dat het verwijt dat de klachten ten onrechte zijn aangemerkt als “klachten over machtsmisbruik” geen steun vindt in de uitspraak van de klachtencommissie omdat in die uitspraak het woord “machtsmisbruik” niet valt te lezen. Tot slot is de voorzieningenrechter van oordeel dat de verwijzing naar artikel 3 van de klachtenregeling niet de suggestie zou hebben gewekt dat de locatiedirecteur zich jegens leerlingen schuldig zou hebben gemaakt aan seksuele misdragingen.

 

De klachtencommissie heeft jegens de locatiedirecteur niet onrechtmatig gehandeld.
 

Rechtbank Amsterdam, 22 februari 2008, LJN: BH4515

Het is aan te raden om binnen zes maanden een begin van een onderzoek naar klachten te starten. Buitenfunctiestelling hoogleraar wegens klachten van derden. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld jegens verzoeker door sedert augustus 2007 geen onderzoek in te stellen naar de gegrondheid van de tegen verzoeker ingediende klachten, dit onderzoek vervolgens niet met voortvarendheid af te ronden (zodat verzoeker al een half jaar in onzekerheid verkeert) en niet na onderzoek een standpunt in te nemen over de gegrondheid van de klachten.


Nu verweerder gedurende een half jaar, te weten vanaf het emailbericht van 2 augustus 2007 tot aan de datum van de zitting, niet met het aangekondigde onderzoek is begonnen en dit niet heeft voltooid, alsmede gelet op het feit dat verweerder na een half jaar niet alleen geen formeel standpunt heeft ingenomen over het functioneren van verzoeker maar ook niet kan aangeven wanneer dit formele standpunt van verweerder beschikbaar komt, moet het er naar het oordeel van de rechter voor worden gehouden dat verweerder niet in staat is het disfunctioneren van verzoeker aan te tonen, en is er mitsdien ook geen grond voor het nemen van maatregelen zoals het ontheffen van verzoeker uit de functie van sectiehoofd en het verplaatsen van de werkplek van verzoeker teneinde te voorkómen dat verzoeker contact heeft met zijn vakgroepgenoten. Het staat verweerder daarbij vrij alsnog een onderzoek naar de gegrondheid van de klachten in te stellen en een standpunt daarover in te nemen, doch voor het nemen van maatregelen hangende dat onderzoek is thans, bij afweging van alle belangen, geen redelijke grond. (bronvermelding: www.rechtspraak.nl

 

Centrale Raad van Beroep, 28 januari 2009, LJN: BH3338

De beslissing over de bovenwettelijke uitkering kan niet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. De bestuursrechter is niet bevoegd tot het geven van een oordeel over een dergelijk besluit. De Stichting ROC is bevoegd om te beslissen op de aanvraag om een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering. Weigering WW-uitkering: Appellante had weliswaar in de periode van 36 weken vóór 14 april 2006 ten minste in 26 weken gewerkt, maar daartoe behoorden ook de weken waarin zij nog bij de verzekeringsmaatschappij werkte en die weken dienden voor de beoordeling of een tweede WW-recht was ontstaan buiten beschouwing te blijven omdat zij al in aanmerking waren genomen bij de beoordeling van het WW-recht van appellante met ingang van 20 maart 2006.

 

“6.1. Sinds de decentralisatie van de arbeidsvoorwaardenvorming in het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie worden de regels betreffende de sociale zekerheid voor het personeel in deze sector vastgesteld door de bevoegde gezagsorganen van de instellingen en de besturen van de landelijke organen. Deze regels zijn aan te merken als privaatrechtelijke arbeidsvoorwaarden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering ervan en de bevoegdheid tot het nemen van beslissingen over het recht op een bovenwettelijke uitkering berusten bij de werkgevers. Ten aanzien van appellante was de [werkgever] waar appellante werkzaam was daarom bevoegd tot het beslissen over haar aanvraag om een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering ingevolge de BWBV 2005. Nu dit een privaatrechtelijke regeling is en bij de uitvoering daarvan geen sprake is van gebruikmaking van publiekrechtelijke bevoegdheden of van de uitoefening van een overheidstaak kan de beslissing over de bovenwettelijke uitkering niet worden gezien als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit betekent dat de bestuursrechter niet bevoegd is tot het geven van een oordeel over een dergelijk besluit. Hieruit volgt dat de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ten onrechte uitspraak heeft gedaan met betrekking tot de door appellante aangevraagde bovenwettelijke uitkering. De rechtbank heeft daarom bestreden besluit I ten onrechte vernietigd op grond van een zorgvuldigheidsgebrek, het beroep van appellante ten onrechte gedeeltelijk gegrond verklaard en ten onrechte aan het Uwv opdracht gegeven een nieuw besluit op het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2006 te nemen. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking.” (bronvermelding: www.rechtspraak.nl

 

Rechtbank ’s-Gravenhage, 3 februari 2009, LJN: BH3083

Bovenwettelijke uitkering. Suppletie uitkering.


Weigering verlaagde suppletie uit te betalen. De bovenwettelijke uitkering als bedoeld in het Besluit bovenwettelijke werkloosheidsregeling voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BBWO), is gekoppeld aan de werkloosheidsuitkering. Nu eiser geen aanspraak had op een werkloosheidsuitkering, is ten onrechte een bovenwettelijke uitkering toegekend. Verweerder heeft het besluit tot toekenning terecht ingetrokken en de onverschuldigd betaalde uitkering teruggevorderd. De suppletieregeling neergelegd in het Besluit ziekte en arbeidsongeschiktheid voor onderwijspersoneel primair en voortgezet onderwijs (BZA), heeft het karakter van een werkloosheidsregeling bij ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Eiser benutte zijn resterende verdienvermogen niet volledig, zodat hij in beginsel recht op suppletie had en op hem een sollicitatieplicht rustte. Verweerder heeft op juiste gronden besloten om in navolging van verlaging en blijvende gehele weigering van de werkloosheidsuitkering, voor de suppletie ook deze maatregelen op te leggen wegens het niet voldoen aan de sollicitatieplicht. Verweerder heeft in het kader van de weigering om de verlaagde suppletie te betalen, een onjuiste uitleg gegeven aan artikel 29 BZA. (bronvermelding: www.rechtspraak.nl

 

Rechtbank Haarlem, sector kanton, 3 februari 2009, LJN: BH 3164

Ontbinding arbeidsovereenkomst onder toekenning van een vergoeding. Bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding houdt de kantonrechter rekening met de aan verweerder (Hoofd Financiën) toekomende en voor rekening van verzoekster (ROC) komende bovenwettelijke uitkering. (bronvermelding: www.rechtspraak.nl

 

Rechtbank Maastricht, sector kanton, 4 februari 2009, LJN: BH2483

Werknemer krijgt als gevolg van het sluiten van een beeindigingsovereenkomst - onder meer inhoudend de afspraak dat werknemer gebruik zal maken van de vroegpensioenregeling - minder pensioen. Hamvraag is nu of werkgever werknemer had moeten waarschuwen dat zulks een (mogelijk) gevolg van het sluiten van de beeindigingsovereenkomst was of dat dit als algemeen te verwachten gevolg voor rekening en risico van werknemer moet worden gebracht. De kantonrechter is van oordeel dat dit laatste het geval is gelet op het opleidingsniveau van werknemer en gelet op het feit dat hij zich in de procedure van de totstandkoming van de overeenkomst gedurende een aantal maanden heeft laten bijstaan door een adviseur van de Unie. (bronvermelding: www.rechtspraak.nl

 

Rechtbank Zwolle, sector kanton, 27 maart 2009, LJN: BH8962

Arbeidszaak. Afwijzing ontbinding. Docent houdt onvoldoende professionele afstand ten opzichte van een net-gediplomeerde ex-leerling. Hoewel de docent het vertrouwen van de school heeft beschaamd, is een ontbinding van de arbeidsrelatie in de gegeven omstandigheden echter een te zware manier om aan te geven dat het grensoverschrijdende gedrag van de docent niet door de school wordt getolereerd. (bronvermelding: www.rechtspraak.nl

 

Centrale Raad van Beroep, 23 april 2009, LJN: BI2737

Opeenvolgende tijdelijke aanstellingen. Geen vaste aanstelling. De in de CAO NU opgenomen mogelijkheid een tijdelijke aanstelling op grond van artikel 3.7, eerste lid, onder e, een onbeperkt aantal malen te verlengen, is niet in strijd met enige direct werkende bepaling van Richtlijn 1990/70 EG van de Raad van de Europese Unie van 28 juni 1999 (hierna: Richtlijn 99/70), betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst (hierna: raamovereenkomst) inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. (bronvermelding: www.rechtspraak.nl) 

 

Gerechtshof ‘s-Gravenhage, 28 april 2009, LJN: BI3422

Valt de eigendom van schoolgebouwen (in het bijzonder onderwijs) die ooit met eigen middelen zijn gebouwd maar waarin later met overheidsmiddelen verbouwingen zijn uitgevoerd en waarvan het gebruik wordt gestaakt, weer terug in de eigendom van de gemeente? 

 

In onderhavige kwestie heeft de stichting (school) bij de gemeente een aanvraag ingediend voor vervangende nieuwbouw. De gemeente heeft besloten hiervoor aan de stichting een krediet te verlenen en grond ter beschikking te stellen onder de voorwaarde dat de stichting haar huidige terrein met bebouwing overdraagt aan de gemeente. Voorts is er een geschil ontstaan of de gemeente bij overdracht van het (school)hoofdgebouw met grond, het economisch claimrecht kan doen gelden. Volgens de gemeente beschikt zij over een economisch claimrecht met betrekking tot alle gebouwen en gronden van de stichting. Volgens de stichting heeft de gemeente geen economisch claimrecht op het hoofdgebouw en de grond, omdat dit onder de uitzondering van artikel 76u lid 4 WVO valt.

 

Primair vordert de stichting te verklaren voor recht dat het desbetreffende hoofdgebouw en het terrein vallen onder de in artikel 76u lid 4 WVO genoemde uitzondering voor gebouwen als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet WVO waarvoor het bevoegd gezag slechts een rentevergoeding heeft ontvangen. Subsidiair vordert de stichting te verklaren voor recht dat de regelgeving waarbij het economisch claimrecht geregeld is, althans de (dreigende) uitoefening van dat recht, in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is. De gemeente heeft de vorderingen bestreden. Zij heeft erkend dat is voldaan aan de uitzonderingseis van “gebouw als bedoeld in artikel 28 van de Overgangswet WVO” maar heeft gemotiveerd betwist dat het bevoegd gezag “slechts een rentevergoeding” in de zin van artikel 76u WVO heeft ontvangen.

 

Voor de uitleg van artikel 76u lid 4 WVO dienen alle door het bevoegd gezag ontvangen vergoedingen voor de betreffende voorzieningen in de huisvesting in aanmerking te worden genomen. Aangezien deze school reeds een vergoeding voor de in 1964 gerealiseerde aanbouw heeft ontvangen, voldoet zij niet aan de eis dat zij slechts een rentevergoeding heeft ontvangen. Derhalve is het hof van oordeel dat zij niet voldoet aan de uitzondering van artikel 76 lid 4 WVO en beschikt de gemeente voor het volledige schoolgebouw met grond over het economisch claimrecht. 

 

Ten aanzien van de vraag of de ontneming van de eigendom van het hoofdgebouw en de gronden voldoet aan de door artikel 1 Eerste Protocol gestelde eis dat de inbreuk proportioneel is, is het hof van oordeel dat de ontneming van de eigendom van het hoofdgebouw met grond wel proportioneel is.

 

Centrale Raad van Beroep, 7 mei 2009, LJN: BI2440

Een lerares in dienst van een VMBO-school, stuurt na ruim een jaar in dienst te zijn een email aan al haar collega’s waarin zij meldt dat zij vanwege haar geloofsovertuiging vanaf heden geen handen meer geeft aan mannelijke collega’s. 

 

De school (stichting) besluit om de desbetreffende lerares te schorsen. De schorsing wordt verlengd. En uiteindelijk wordt de lerares op grond van artikel 4.b.6, vijfde lid, aanhef en onder a, subsidiair onder b, van CAO VO geschorst voor de duur van het dienstverband, nu de stichting voornemens is het dienstverband te beëindigen. Vervolgens wordt het dienstverband bij besluit op grond van artikel 4.b.3, aanhef en onder 1, van de CAO VO op grond van andere redenen van gewichtige aard beëindigd. Daarbij is bepaald dat aan het ontslag een voorziening in de vorm van een vergoeding wordt verbonden.

 

De rechtbank heeft de beroepen van de lerares tegen de bestreden besluiten van de stichting ongegrond verklaard (m.u.v. de grond ten aanzien van de vergoeding).

 

De Centrale Raad van Beroep buigt zich vervolgens over de vraag of de school geldende uniforme begroetingsregel zich verdraagt met het verbod van onderscheid naar godsdienst om een afweging van belangen van de stichting en de school enerzijds en die van de lerares, die zou moeten worden beschermd tegen ongelijke behandeling vanwege haar godsdienst anderzijds. Van belang acht de Raad daarbij dat de geloofsuiting waarvoor bescherming wordt verlangd zich in de openbaarheid manifesteert en dat daarbij anderen zijn betrokken, waarvoor ook leerlingen, ouders en andere derden. De begroetingsregel ziet dus indirect op de wijze van functievervulling. Het belang van de openbare school, gelegen in het voorkomen van segregatie en het bevorderen van de duidelijkheid in een multiculturele schoolgemeenschap weegt in de gegeven omstandigheden zo veel zwaarder dan het door betrokkene nagestreefde belang bij verscheidenheid, dat de Raad van oordeel is dat de voorgeschreven begroetingswijze, te weten het schudden van handen, passend en noodzakelijk is te achten.

 

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten. 

 

Rechtbank ’s-Gravenhage, 20 mei 2009, LJN: 

Is er sprake van directe – en of indirecte discriminatie doordat een vrouwelijke leerkracht in een lagere schaal is ingedeeld dan haar mannelijke collega’s?

 

Een lerares Duits is per 1 augustus 2002 in dienst getreden bij een school in het Voortgezet Onderwijs. De lerares wordt de invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem (ingevoerd per 1 augustus 2004) in een (L)B functie geplaatst (salarisschaal 10). De lerares heeft nimmer bezwaar gemaakt tegen haar plaatsing in een (L)B functie.
Naar aanleiding van de in 1984 ingevoerde ‘Herziening onderwijs salarisstructuur (HOS)’ heeft de desbetreffende school bij de verdeling van de functies van de voor-HOS-sers, die veelal een hoger salaris genoten dan de na-HOS-sers, ingeschaald in een (L)C functie.
Bij brief van 3 januari 2007 heeft de lerares de ongelijke beloning van voor- en na HOS-ers aangekaart bij de voorzitter van het bestuur van de school en verzocht haar alsnog in een (L)C functie te plaatsen. 
 

De lerares heeft zich op 16 februari 2007 tot de Commissie Gelijke Behandeling (hierna: CGB) en de CGB heeft op 4 oktober 2007 uitspraak gedaan waarin zij heeft geoordeeld dat de school verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht bij de beloning door de lerares lager in te schalen dan maatman 3 en een verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht door de (L)C functie aanvankelijk uitsluitend toe te kennen aan docenten met een HOS-garantie. 

 

In de zomer van 2008 heeft de school een extra (L)C functie aan het VWO-team (waar de lerares deel van uit maakte) toegevoegd. De lerares heeft naar deze functie gesolliciteerd en is vervolgens per 1 april in deze functie geplaatst.

 

Desalniettemin vordert de lerares van de school een bedrag van € 12.748,57 bruto aan salaris. De lerares baseert haar vordering op twee nevengeschikte grondslagen, te weten directe discriminatie (ongelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde) en indirecte discriminatie.

 

Directe discriminatie
Ingevolge artikel 7 lid 1 WGB hebben vrouwen en mannen recht op hetzelfde loon als een werknemer van de andere kunne voor arbeid van (nagenoeg) gelijke waarde pleegt te ontvangen. Voorts is het aan de lerares om aan te tonen dat zij over de periode 1 augustus 2004 tot 1 augustus 2008 een lagere beloning ontving dan de school aan haar mannelijke collega’s betaalde en dat zij in werkelijkheid gelijke of gelijkwaardige arbeid verrichtte.
 

De lerares stelt zich op het standpunt dat zij wel degelijk gelijkwaardige arbeid verrichtte als haar mannelijke collega’s in een (L)C functie omdat zij structureel werkzaamheden op C niveau verrichte. Het zou hierbij gaan om formeel opgedragen taken zoals het sectievoorzitterschap, de onderwijsvernieuwing, het taalbeleid, het fungeren als coach en als vraagbaak, het organiseren van een talenreis-project, het onderhouden van contacten met universiteiten en hoge scholen, het begeleiden van profielwerkstuk, de begeleiding en assistentie van de leerlingenraad en de voorbereiding van een bezemklas vwo/havo.
De school stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van ongelijke beloning ten opzichte van de mannelijke collega’s. De taken die de lerares zijn opgedragen zou geen (L)C niveau rechtvaardigen en de taken die haar zijn opgedragen en die wel onderdeel uitmaken van een (L)C functie, zijn haar pas toegewezen in het schooljaar 2007-2008 om haar in de gelegenheid te stellen zich voor die functie te profileren.
Een en ander leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de aan de lerares opgedragen werkzaamheden tot 1 augustus 2008 een (L)C functie met bijbehorend salarisniveau rechtvaardigen zodat niet gezegd kan worden dat sprake is geweest van een ongelijke beloning in de zijn van de WGB.
 

Indirecte discriminatie
Om vast te stellen of indirecte discriminatie is toegestaan, moet er sprake zijn van een objectieve rechtvaardigingsgrond op basis van artikel 7:646 lid 10 BW. Degene die zich op een objectieve rechtvaardigingsgrond beroept, zal moeten aantonen dat het onderscheid wordt gemaakt om een legitiem doel te dienen dat geen verband houdt met seksediscriminatie. Het kan zijn dat in onderhavig geval het beleid van de school kon leiden tot indirecte discriminatie maar de vraag is of dat in dit concrete geval ook ten aanzien van de lerares het geval was. De kantonrechter is van oordeel dat die vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Doorslaggevend daarbij is de vraag of de lerares bij de invoering van het nieuwe functiewaarderingssysteem het werk van een (L)C functie deed, dan wel niet benoemd is in een (L)C functie omdat er geen (L)C functie vacant was en aannemelijk is dat zij wel in (L)C functie benoemd zou worden als er wel plek geweest was. Daar komt bij dat de lerares nimmer bezwaar heeft gemaakt bij de functiewaarderingscommissie en dat zij – in elk geval tot de zomer van 2008 – nooit heeft gesolliciteerd op vacante (L)C functies.