Laatste nieuws
Wetsvoorstel normering buitengerechtelijke incassokosten: blijft wanbetalen lonen?
Deze zomer heeft de Minister van Justitie een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer ingediend, waarin de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bij vorderingen tot EUR 25.000,= wordt gemaximeerd. De afgelopen twee maanden heeft een internetconsultatie plaatsgevonden. Er is de nodige kritiek.
Buitengerechtelijke incassokosten
Buitengerechtelijke incassokosten zijn de kosten die een schuldeiser maakt om een schuldenaar tot betaling te bewegen, voordat hij naar de rechter stapt. Te denken valt aan het versturen van aanmaningen of het voeren van schikkingsonderhandelingen.
Huidige regeling
Uit de wet volgt dat buitengerechtelijke incassokosten op de schuldenaar kunnen worden verhaald, mits (i) die kosten in redelijkheid zijn gemaakt en (ii) de omvang van die kosten redelijk is. Om de rechter houvast te bieden bij het bepalen van een redelijke vergoeding, heeft de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak in het ‘Rapport Voorwerk-II’ aanbevelingen gedaan. Daarin wordt gewerkt met ‘staffels’: afhankelijk van het financieel belang van de zaak wordt een vast bedrag toegewezen.
Partijen zijn op dit moment vrij om van tevoren afspraken te maken over de hoogte van de buitengerechtelijke kosten. Algemene voorwaarden kunnen bijvoorbeeld bepalen dat de incassokosten een bepaald percentage van de hoofdsom bedragen.
Het laatste woord over de vraag welke vergoeding redelijk is, is evenwel aan de rechter. Hij kan de partijafspraak dus volgen of zelf een incassokostenvergoeding vaststellen. Hij mag daarbij het Rapport Voorwerk II volgen, maar hoeft dat niet. Partijen weten daardoor op voorhand niet zeker welk bedrag aan incassokosten verschuldigd is. Schuldeisers maken van die onzekerheid gebruik en brengen hun schuldenaren vaak (te) hoge incassokosten in rekening.
De voorgestelde regeling
Met het wetsvoorstel wil de Minister de huidige onzekerheid over de hoogte van de verschuldigde incassokosten wegnemen. Met name consumenten en kleine bedrijven moeten worden beschermd tegen onredelijk hoge incassokosten. Daartoe wordt een nieuwe regeling voorgesteld die, voor zover het gaat om vorderingen tot EUR 25.000,=, dwingendrechtelijk van aard is. Noch partijen noch de rechter mogen van die regeling dus afwijken.
Een aantal punten in het wetsvoorstel valt op.
In de eerste plaats wordt het systeem van het Rapport Voorwerk II verlaten. De incassokostenvergoeding bedraagt een bepaald percentage van de verschuldigde hoofdsom. Dat percentage wordt lager naarmate de vordering hoger wordt. De vergoeding bedraagt:
- over de eerste EUR 2.500,=: 15% (met een minimum van EUR 40,=);
- over de volgende EUR 2.500,=: 10%;
- over de volgende EUR 5.000,=: 5%; en
- over de volgende EUR 15.000,=: 1%.
Bij hogere vorderingen valt de incassokostenvergoeding daardoor lager uit dan bij toepassing van het Rapport Voorwerk II.
In de tweede plaats valt op dat een willekeurig, maar strikt onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds schuldeisers met een vordering tot EUR 25.000,=, en anderzijds schuldeisers met een hogere vordering. De eersten zien hun incassokostenvergoeding dwingendrechtelijk beperkt, terwijl de laatstgenoemden vrij blijven om contractueel te bedingen wat zij willen.
In de derde plaats valt op dat hoewel de Minister aangeeft dat het er vooral om gaat consumenten en kleine bedrijven te beschermen, de regeling zich niet tot die partijen beperkt. De regeling zal in de huidige opzet ook voor grote (beursgenoteerde) ondernemingen gaan gelden.
Reacties
Zoals gezegd, is tijdens de consultatieronde de nodige kritiek op het wetsvoorstel geleverd.
Zo merkt de Vereniging van Incasso en procesadvocaten (VIA) op dat ten onrechte geen onderscheid wordt gemaakt tussen vorderingen op bedrijven (B2B) en vorderingen op consumenten (B2C). Tussen bedrijven is in principe sprake van gelijkheid en verdient contractsvrijheid de voorrang, aldus de VIA. Bovendien vereist het incasseren van B2B vorderingen vaak maatwerk, terwijl het bij de incasso van B2C vordering gaat om bulkwerk. Het is dan niet redelijk om eenzelfde bedrag aan incassokosten toe te kennen.
Een ander punt van kritiek is dat de prikkel voor schuldenaren om op tijd aan hun verplichtingen te voldoen te klein blijft, en bij vorderingen vanaf EUR 10.000,= zelfs afneemt. De VIA spreekt daarom de vrees uit dat “wanbetalen in Nederland zal blijven lonen”.
Of de wetgever gevoelig zal zijn voor deze kritiek, moet nog blijken. Vooralsnog moet ervan uit worden gegaan dat de mogelijkheden om buitengerechtelijke incassokosten op de schuldenaar te verhalen, zullen worden beperkt.
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met mr. F. Diepraam (diepraam@potjonker.nl) of één van de andere leden van de sectie Ondernemingsrecht.
Terug naar overzicht
